Skip to: site menu | section menu | main content

 

 
Currently viewing: www.ezzulia.nl » Nieuws


Paul Evanby:
De Scrypturist

Evanby heeft na een reeks succesvolle korte verhalen met De Scrypturist laten zien dat hij ook met het schrijven van een complete roman de aandacht van de lezer vast kan houden


















 

 

PAUL HARLAND PRIJS ESSAYS # 2

ER WAS EENS EEN FANTASYBOEK

10 januari 2012 | Op Ezzulia plaatsen wij in samenwerking met de organisatie van de Paul Harland Prijs een serie essays over het fantasy genre. Hierin verschijnen bijdragen van Martin Lindeboom, Frank Rieter, Thomas Olde Heuvelt, Roelof Goudriaan en Paul Evenblij.

Door: Frank Rieter

Was er fantasy voor Tolkien?

Toen ik als veertienjarige voor het eerst In de ban van de ring las, kon ik niet wachten om meer boeken te lezen die je zo konden meevoeren naar verre werelden. Ik ging naar de bibliotheek maar alles wat ik las leek wel erg sterk ‘in de traditie van Tolkien’ geschreven. Blijkbaar moest een fantasy-epos verplicht uit drie dikke delen bestaan en in een wereld spelen waar elven, dwergen en draken de verplichte ingrediënten waren.
Ik ging op zoek naar auteurs met een oorspronkelijker karakter. Clark Ashton Smith was de eerste van een hele reeks schrijvers met een echt eigen stemgeluid, die voor de uitwerking van één aardig idee niet meteen duizend pagina’s nodig had. Ik las me een weg terug de geschiedenis in. Ik houd van het ongerepte dat die vroege verhalen hebben. Ze zijn geschreven in een tijd dat het genre nog niet gevormd was.
Na Smith las ik Fritz Leiber en L. Sprague de Camp, Amerikaanse schrijvers die gepubliceerd waren in het blad Weird Tales. Later las ik vooral Britse werken, waaronder De Worm Ouroboros (1922) van E.R. Eddison en de verhalen van Lord Dunsany (vanaf 1905). Hun werk verscheen vanaf de jaren ’70 ook in Nederland, dus wellicht hebt u ze gelezen. Maar er is meer fantasy ‘van vóór Tolkien’ en die vroege werken zijn vaak nog steeds zeer de moeite van het lezen waard.

Dwalen en schatzoeken

Als ik maar ver genoeg terug ga, kom ik bij het Gilgamesj-epos, de Odyssee, of De vertellingen van Duizend en één nacht. Het zijn voor veel fantasyschrijvers belangrijke inspiratiebronnen geweest. Hetzelfde geldt voor legenden die hun wortels hebben in de vroege middeleeuwen, zoals de Orlando Furioso, Beowulf en de verhalen rond Koning Arthur. Het zijn mythen, sagen en legenden, terwijl ik eigenlijk zoek naar de eerste schrijver die een zelf verzonnen verhaal op papier zette dat speelt in een magische, wonderbare wereld. Je komt dan uit bij Gulliver’s Travels (Jonathan Swift, 1726). Dat heeft al wat trekken van een fantasyboek, maar is in de eerste plaats een satire. De werken van William Shakespeare bevatten tal van magische en bovennatuurlijke elementen. Van de heksen in MacBeth (1603) tot een volledig sprookjesbos in A Midsummer Night's Dream (1600) en het magische eiland in The Tempest (1611). Het fantasygenre ontleent er aan en bouwt er op voort, maar het is eerder een verre neef dan een directe voorouder.
In de tweede helft van de achttiende eeuw, bij het aanbreken van de Romantiek, publiceert Horace Walpole de roman The Castle of Otranto (1764). Dit werk wordt beschouwd als de eerste Gothic novel en luidde een tijdperk in waarin vele romans verschenen in een pseudomiddeleeuwse setting, voorzien van bedreigde maagden en allerhande bovennatuurlijke verschijningen. De schrijvers van Gothic novels omarmen het bizarre en het griezelige. Daarmee zijn ze een prelude voor de weird tale: voor zowel fantasy als horror.
Het gat tussen de Gothic novel en de auteurs uit het begin van de 20ste eeuw wordt gedicht door een aantal Britse schrijvers. William Morris schreef in 1896 The Well at the World's End. Was hij de eerste? Nee, het werk Phantastes (1858) van George MacDonald wordt vaak het eerste fantasyboek genoemd. Hij strijd om de ‘eer’ met John Ruskin die al in 1841 The King of the Golden River schreef. Naar wie je voorkeur uitgaat hangt af van of je jeugdboeken meetelt. Ik doe dat graag; fantasy is een genre dat in de loop der jaren vaker laveert tussen volwassen- en jeugdliteratuur. Denk daarbij aan Alice in Wonderland (1865) en Peter Pan (1904), maar evengoed is de Harry Potter-reeks een mooi recent voorbeeld.

De taal, het verleiden en het genoegen

Welke boeken je als fantasyliefhebber feitelijk ter hand neemt hangt natuurlijk af van waar je als lezer van houdt, of wat je als schrijver wilt leren. Je kunt de kunst van het archaïsch taalgebruik afkijken van E.R. Edisson. Poëtisch taalgebruik vind je bij Dunsany. Voor rake beschrijvingen met veel vaart kom je uit bij Robert E. Howard. Zo heeft iedere auteur zijn eigen kracht en stijl.
Waar ik zelf op let is hoe je als lezer de magische wereld mee ingevoerd wordt. Vaak wordt een wereld steeds duidelijker, maar sommige schrijvers geven daar een originele draai aan, zoals in Lilith (1895) van MacDonald, of in The Dream-Quest of Unknown Kadath (1927) van H.P. Lovecraft. In die boeken blijft de wereld tot het eind toe gevaarlijk en diffuus. Dat het nog heel anders kan blijkt uit het werk van Mervyn Peake. Zijn Gormenghast-serie (1946-1959) kenmerkt zich door het vrijwel ontbreken van magie: het wonderbaarlijke van de wereld wordt opgeroepen door het taalgebruik, de sfeer van eeuwenoude tradities en de doorlopende suggestie van dreiging in het reusachtige kasteel Gormenghast.
Dat is ook een reden om oudere boeken eens af te stoffen: om te genieten van de vrijheden die schrijvers zich permitteren. En ook schrijvers die niet zondermeer tot het genre gerekend worden zijn dan erg de moeite waard. Lees bijvoorbeeld The Picture of Dorian Gray (1890) van Oscar Wilde, of A Connecticut Yankee in King Arthur’s Court (1898) van Mark Twain.

Tot besluit

Als leidraad bij dit artikel heb ik een lijst van auteurs en werken opgesteld. Het zijn boeken die ieder voor zich iets aan het fantasygenre hebben toegevoegd of veranderd: nieuwe perspectieven en betoverende vergezichten. Ik wens u de komende tijd veel leesplezier.

Dit artikel is een ingekorte versie van het essay ‘Over de voorde, naar de bron, een verkenning van het ontstaan van het fantasygenre’. Een e-book versie (pdf en epub) van dit essay kunt u gratis downloaden op de website van de Paul Harland Prijs en www.franknorbertrieter.nl .

Chronologisch overzicht van schrijvers, inspiratiebronnen en fantasyboeken tot circa 1950.

Het Gilgamesj epos rond 2620 v.C.
De Illias en De Odyssee
‘Duizend en één nacht’
Edda
Beowulf (Ca.700)
Le mort d’Arthur (Opgetekend ca. 1470)
Orlando Furioso (1516)
Gulliver’s Travels (Jonathan Swift, 1726).
William Shakespeare (1564-1616)
Horace Walpole (1717-1797)
Ann Radcliffe (1764-1823)
Die Zauberflöte (1786-1791)
E.T.A. Hoffmann (1776-1822)
Sara Coleridge (1802–1852)
John Ruskin (1819-1900)
George MacDonald (1824-1905)
William Morris (1834-1896)
Lord Dunsany (1878-1957)
H.P. Lovecraft (1890–1937)
Clark Ashton Smith (1893-1961)
Robert E. Howard (1906 – 1936)
E.R. Eddison (1882 – 1945)
Mervyn Peake (1911 –1968)
Fritz Leiber (1910-1992)
De ‘Harold Shea’ serie (1940-1954, L. Sprague de Camp & Fletcher Pratt)


Wie is Frank Rieter?

Frank Norbert Rieter (1973) schrijft literair proza en toneelstukken. Korte genreverhalen van zijn hand verschenen in de tijdschriften Pure Fantasy en Wonderwaan. Zijn liefde voor fantasy is ook terug te vinden in zijn literaire werk. Zo is in de debuutroman Het lichte hart van de mastodont het hoofdmotief ontleend aan het boek Lilith van George MacDonald.

Vanaf 2012 verschijnt Franks werk bij de door hemzelf opgerichte uitgeverij Leviathan.

 

Eerder in deze serie:

Fantastiek en Hokjesdenken | kijk hier
Door: Martijn Lindeboom

 

 

 


 

Reageer op dit artikel

Dat kan op het forum van Ezzulia, waar een apart topic is aangemaakt over de Paul Harland prijs en deze reeks met essays.

Kijk hier voor dit topic op het Ezzulia forum



 

 

 

Terug naar boven

Terug naar boven